
Aan het Joods Lyceum Fisherstaat waren een gymnasium (nu VWO), een HBS (nu VWO), een handelsdagschool en een gymnasium verbonden. De handelsdagschool was een administratieve opleiding waarbij handelsrekenen en boekhouden een belangrijk deel van het lessenpakket uitmaakten.
179 Joodse leerlingen van deze school zijn in de Tweede Wereldoorlog vermoord.




De Centrale Controledienst is de opvolger van de vooroorlogse Crisis Controledienst en bestreed de zwarte handel. De dienst bleef tot 1954 bestaan en was een onderdeel van het ministerie van Landbouw en Visserij.
In augustus 1951 werd de Dienst overgebracht naar één van de gebouwen van het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening aan de Boorlaan 12. Waarschijnlijk is het monument toen meeverhuisd. Waar het monument thans is, is onbekend.

De plaquette is op 16 december 1985 overgedragen aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De gemeente Den Haag heeft dit initiatief ondersteunt. Uitgangspunt bij het nieuwe monument is de integratie van het monument met de Davidster van de Gedempte Gracht met de plaquette Rachel Weent en het Joods Kindermonument. Het monument toont een deur op een kier in een muur bij de Nieuwe Kerk. Op de deur wordt het monument met de Davidster van de Gedempte Gracht geïnstalleerd. Vanuit de kier schijnt licht, maar als men naar de opening van de deur zoekt blijkt die dicht te zijn. Het toont daarmee hetgeen het had kunnen zijn, maar toch niet is: een mogelijk ontsnapping die ijdele hoop is gebleken.
Bij het herdenkingsmonument staan twee van onderaf belichte bronzen koffers, die de deportatie van de Joodse inwoners van Den Haag symboliseren. Ook staat bij het nieuwe monument een herdenkingsplek met zes zitplaatsen. Deze zes zitplaatsen staan voor de zes miljoen vermoorde Joden. Op elke zitplaats wordt aan beide kanten het symbool van één van de twaalf stammen van Israël aangebracht. Een bronzen plaquette geeft een korte toelichting op het monument. Onthuld door burgemeester Pauline Krikke, tezamen met Ohad Topper, voorzitter Liberaal Joodse Gemeente Den Haag en Arjéh Baumgarten, voorzitter Nederlands-Israëlietische Gemeente ’s-Gravenhage.



De schrijfster doelde daarmee op de honderdduizenden mensen die na de oorlog met Japan halsoverkop uit Indonesië vluchtten, alles wat ze hadden achterlatend.

Omstreeks 2000 werd het namenmonument toegevoegd. In 2013 werd het een namenmonument met bijna 400 namen.

Op het monument staan de namen van 2212 omgekomen bondsleden.
Het monument bevond zich oorspronkelijk in het bondsbureau van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond. Na de verhuizing van het bondsbestuur naar Zeist is het monument geplaatst in de hal van de sporthal aan de Woudenbergseweg 56-58.

De plaquette bevindt zich in de tentoonstelling: 'Kind in oorlog'. De plaquette in brons stelt voor een treurende vrouw en herinnert aan het woord van de Profeet Jeremia: "Hoort, te Rama klinkt een klacht, bitter geween, Rachel weent om haar kinderen". Deze woorden zijn aangebracht in het Hebreeuws en in het Nederlands. Bovenaan de tegel het jaartal 5703-1942, het jaar, waarin de meeste kinderen zijn gedeporteerd en vermoord.
De plaquette is door Joodse en niet-Joodse ouders van de voormalige Muloschool Laan 5 aan de gemeente Den Haag aangeboden ter plaatsing in deze school. Het initiatief hiertoe is genomen door een lerares der school, mejuffrouw J. van Tol. Boven de gedenkplaat was een glas-in-loodraam aangebracht, ontworpen door de oud-leerling der school, heer Berserik, dat eveneens herinnerde aan het tragische lot van de meer dan 70 Joodse leerlingen van de school.
Toen in 1952 de Muloschool, onder de naam Prof. Lorentzschool haar intrek nam in het gebouw Bezemstraat waar voor de oorlog de Joodse Lagere School gevestigd was kreeg de plaquette een plaats in dit gebouw.
Toen er zich in 1984 plannen ontwikkelden om het scholencomplex Bezemstraat een andere bestemming te geven, schonk de gemeente Den Haag de plaquette aan de Haagse Joodse Gemeenschap, die het kunstwerk op haar beurt aanbood aan het Schoolmuseum, de voorloper van het Museon. In het Museon is de plaquette opgenomen in beeldhouwwerk met de namen van de vermoorde kinderen. Oorspronkelijk stonden onder de plaquette in het Museon de namen van 1691 Joodse kinderen uit Den Haag die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen.


Het gedenkteken ‘Berichten uit de vorige eeuw - Dwangarbeiders' herinnert de inwoners van Den Haag aan de razzia van 21 november 1944. Circa 8.000 Haagse mannen werden gedwongen in Duitsland dwangarbeid te gaan verrichten. Het monument hangt op de plaats waar het voormalige gebouw voor Kunsten en Wetenschappen stond. Dat was een van de plaatsen waar de Duitse bezetter duizenden Haagse mannen bijeendreef en hen als dwangarbeiders heeft weggevoerd.

Op die dag is de boom omgewaaid. Zaailingen van de boom worden nu overal op de wereld geplant. De Anne Frank Stichting had met toestemming van de eigenaar kastanjes laten rapen, opkweken en verspreiden. Onder andere in de gemeentekwekerij van Den Haag. Hierdoor kunnen inmiddels grote bomen geplant worden. In Den Haag zijn bomen geplant bij de synagoge van de Liberaal Joodse Gemeente in Den Haag, de Anne Frankschool aan de Beresteinlaan 267, de stadsboerderij Landzigt in Leidschenveen, bij de Nutsschool aan de Laan van Poot in Den Haag en in 2020 bij het Vredespaleis.
De verspreiding van de stekken van de Anne Frankboom is een initiatief van de Anne Frank Stichting.
Rubbingh was betrokken bij het rapen en stekken van de nakomelingen van de oorspronkelijke witte paardenkastanje in Amsterdam.

Op de stoelen zijn voornamen geschreven van 400 omgekomen kinderen met daarachter hun leeftijden. Deze 400 namen staan symbool voor alle omgekomen kinderen. Rondom het monument is een metalen ring aangebracht, waarin een tekst in het Nederlands en Hebreeuws is gegraveerd: ‘Verdwenen is de Joodse buurt. Verdwenen zijn de kinderen. Weggevoerd en vermoord in de Tweede Wereldoorlog. Omdat ze Joods waren. 1700 Haags-Joodse kinderen keerden niet meer terug. Velen van hen speelde hier. Gingen hier naar school. Laten we hen niet vergeten en zorgen dat zoiets nooit meer gebeurt.’


De vliegtuigen wierpen vierenvijftig bommen af die vooral naast het doel terechtkwamen. Op het W.S.M.-emplacement vielen vijf bommen die vijftig meter rails vernielden. In de naastgelegen woongebieden werden twee huizen – Burgemeester Hovylaan 83 en Quarlesstraat 1 – totaal verwoest en twee – Viandenstraat 17 en 19 – zwaar beschadigd. De meeste bommen vielen in tuinen langs de Houtweg. Op het naast het W.S.M.-complex gelegen terrein van de Loosduinse Groenteveiling werden vier pakhuizen totaal vernield. Daar vielen de meeste van de slachtoffers. Bij dit bombardement vielen zes doden, zeven zwaar- en zes lichtgewonden.

Zij slaagde erin met deze organisatie circa 1600 joodse kinderen van Oostenrijk naar het nog niet-bezette Nederland te doen ontkomen. De Haagse woning van de familie Boon werd in deze vooroorlogse jaren een toevluchtsoord voor joodse intellectuelen die gedwongen waren Nazi-Duitsland te ontvluchten. Omdat Bep Boon en haar echtgenoot gezocht werden door de nazi’s, zijn zij na de inval door de Duitse bezetter gevlucht naar Engeland.
Ook na de oorlog bleef Bep Boon maatschappelijk actief. Zij werd lid van het bestuur van het Nederlands Studentensanatorium: een sanatorium te Laren voor studerende tuberculosepatiënten die tijdens het kuren hun studie wilden voortzetten. Het lidmaatschap van dit bestuur legde de kiem tot het ontstaan van Madurodam. Bep wist dat voor de nazorg van de patiënten van het Studentensanatorium geen geld bleek te zijn en deed daarom het voorstel om een miniatuurstad te bouwen om hiermee geld te werven voor het sanatorium.

Een gedeelte van de nieuwe begraafplaats Westduin is in het najaar van 1941 door de Duitse bezetter in gebruik genomen als militaire begraafplaats. Tijdens de oorlog zijn op de begraafplaats circa 120 militairen uit de Gemenebest begraven, circa dertig mensen zijn buiten Nederland herbegraven. De 569 Duitse militairen die op Westduin begraven lagen zijn in juni 1947 naar de militaire begraafplaats in Venray (Ysselstein) overgebracht. De officiële opening van de Algemene Begraafplaats vond op 1 juli 1950 plaats.

Aan de Valkenboslaan zijn later vele esdoorns geplant, die zijn nog steeds aan deze ‘vrijheidslaan’ te zien. De eerste esdoorn aan de Valkenboslaan is door schoolkinderen geplant op 30 maart 1946.

Het beeld is geplaatst op een voetstuk van natuursteen. In het voetstuk zijn de emblemen van de Grenadiers (een granaat) en de Jagers (een hoorn) uitgehouwen. Het monument is 3 meter 85 hoog.
In november 1964 is het monument van de Hofweg verplaatst naar de Johan de Wittlaan. In 2010 werd het verplaatst naar Ypenburg. Op 10 mei 2010 is het verplaatste monument onthuld door burgemeester Jozias van Aartsen en luitenant-kolonel Maurice Timmermans, commandant van het Garderegiment Grenadiers en Jagers. Ook alle buiten Den Haag gevallenen zijn in de herdenking begrepen.
In 2015 kwam een moderne uitvoering van het monument bij de International School of The Hague aan het Wijndaelerduin te staan.

Op 31 december 1942, vond de allereerste razzia en deportatie plaats. Ook in de maanden erna waren er deportaties. Het monument staat in de nabijheid van de plaats waar de Ramaerkliniek heeft gestaan. In deze kliniek zaten de meeste Joodse mannen en vrouwen ondergedoken.

Het raamwerk symboliseert de bezetting. 'De onderste vogel zit nog geheel gevangen. Alle slaan ze hun vleugels stuk tegen de tralies, behalve de hoogste, die vrij de ruimte in vliegt. De opgaande lijn symboliseert de weg naar vrijheid.' De vlaggenmast is 18 meter hoog. Het raamwerk is 6 meter hoog. Op 5 mei 1955 werd een tijdelijke vlaggenmast met houten ombouw onthuld vóór de hoofdingang van het stadhuis aan het Burgemeester de Monchyplein. De permanente bevrijdingsvlag plus monument is vier jaar later onthuld.
Mijn Studiezaal (inloggen)
Toon op kaart